Cachet nr 30 - Artikel: Chinees en Japans cloisonne - Auteur: Ink de Pree-Domisse  
print deze pagina  
China heeft de Westerse beschaving op vele manieren verrijkt met haar inventiviteit op het gebied van kunstvormen en technieken. Dit geldt bijvoorbeeld voor zijde, porselein en lakwerk, materialen die tot de verbeelding spraken en aanzetten tot een eigen Westerse productie. De techniek van het cloisonné echter, reisde in tegenovergestelde richting: van West naar Oost.

Chinees cloisonné
Het cloisonné werd tijdens de Yuandynastie (1279-1368) in China geïntroduceerd. De Mongoolse overheersers breidden het Chinese rijk ver naar het Westen uit en dreven handel met het Nabije Oosten en het Oost-romeinse rijk waar zij in contact kwamen met de techniek van het cloisonné. Mogelijk voerde men met objecten ook ambachtslieden als gevangenen naar China. In een beroemd eigentijds boek, de Ge Gu Yao Lun, 'Gids voor de Studie van Antiquiteiten', gepubliceerd in 1388, de vroege Mingdynastie (1368-1644), wordt het cloisonné het eerst vermeld. De fraaie voorwerpen werden echter te kleurrijk bevonden voor het sobere interieur van een geleerde (literaat). In de vertrekken van een vrouw waren zij beter op hun plaats. Vanwege de buitenlandse oorsprong werd cloisonné door de Chinese geleerden geassociëerd met de overheersing van hun land door de onbeschaafde Mongolen. Met voor hun omgeving passende kunstvoorwerpen had men de delicate schilderingen en elegante keramiek van de voorafgaande Songdynastie (960-1279) voor ogen. Het cloisonné werd wel gebruikt in tempels.

Afb. 1: Vaas, China 1400-1450, h 54 cm, part. col.
Keizerlijke belangstelling
In de Qingdynastie (1644-1912) werd het cloisonné door de aandacht van het keizerlijk hof populair. Onder de keizers Kangxi (1662-1722) en Qianlong (1735-1795) werd het op grote schaal vervaardigd. Kangxi liet een cloisonné-atelier opzetten dat exclusief voor het hof produceerde. Hier werden overigens naast originele stukken ook imitaties van antieke voorwerpen uit de Mingdynastie vervaardigd. De Chinese imitaties werden als eerbetoon voorzien van het merk van de Ming keizer. Vooral het merk van keizer Jingtai (1450-1456) komt veel voor op zeventiende- en achttiende-eeuws cloisonné.

Ook Qianlong was een groot bewonderaar van het cloisonné. Het hofatelier draaide op volle toeren, vooral voor de inrichting van zijn zomerpaleis, het Yuanmingyuan. In Qianlong's tijd verloren de voorwerpen door perfect polijsten van het email, de zeer fijne draden en het zware verguldsel echter vaak hun ziel, zo treffend bij het Ming cloisonné.

Export
In de negentiende eeuw ging het neerwaarts met het cloisonné. De keizerlijke orders bleven vrijwel uit, bijzondere stukken werden bijna niet gemaakt. Wel bloeide de productie in Beijing voor de gewone bevolking en vanaf de tweede helft van de eeuw voor de export naar het Westen. Westerse belangstelling was gewekt door de plundering van het keizerlijk zomerpaleis in 1860 door Franse en Engelse soldaten. Topstukken uit het paleis kwamen terecht in de collecties van Koningin Victoria en Napoleon III, nu respectievelijk in het Victoria & Albert museum en Fontainebleau. Cloisonné kwam op de kunstmarkt en was ook op de wereldtentoonstellingen te bewonderen.

Afb. 2: Twee dozen, China, Qianlong 1735-1795, diam. 21 cm., part. col.
Techniek
In de vijftiende eeuw was de basis een gegoten bronzen vorm, waardoor het stuk zwaar was. De vaas van afb. 1 dateert uit deze tijd. De massieve bronzen vorm is versierd met een lotusrank in een kenmerkend kleurenschema. Alle vroege voorwerpen zijn relatief zwaar. Het omgekeerde geldt overigens niet: het gewicht is geen garantie voor een vroege datering: vele late, slecht gemaakte objecten kunnen zeer zwaar zijn. Vanaf de zestiende eeuw gebruikte men vaker geel koper als ondergrond, waarbij de vorm uit een plaat werd gehamerd. De cellen voor het email, 'cloisons', werden met draden van brons gevormd. Zij werden gehamerd waardoor zij bij het bakken vaak in de lengte spleten. Dit fenomeen is met een vergrootglas goed te zien. De spleten kunnen echter verborgen zijn als de laag verguldsel die men over het zichtbare metaal aanbracht nog intact is. Door het hameren zijn de draden ongelijk van dikte. Zij werden op de bronzen of koperen ondergrond gesoldeerd, een techniek die men in het begin niet goed beheerste, getuige het teveel aan soldeer dat zich in hoeken heeft opgehoopt of door het email naar boven is geborreld waardoor verkleuringen optraden. Dit komt doordat de smelttemperatuur van het email aanvankelijk boven de smelttemperatuur van het soldeer uitkwam.

Koperen draden
In de loop van de zeventiende eeuw kwam China, alweer door het Westen, in aanraking met de techniek van het draden trekken. Omdat het zachte koper zich hiervoor beter leende dan brons, werd dit materiaal populair. Gespleten draden kwamen niet meer voor. De dikte was ook meer uniform. Laat in de eeuw kwam in plaats van soldeer een lijm op organische basis in gebruik. Deze verbrandde bij het bakken waarna het email de draden vasthield. Beide fixatiemethoden werden in het begin nog naast elkaar toegepast, soms zelfs op één stuk. Na 1700 werd soldeer nog zelden gebruikt. Vanzelfsprekend spaarde men met de lijmmethode kostbare tijd maar gelijmd cloisonné is erg gevoelig voor stoten. Het email trekt de draden mee terwijl deze bij schade aan gesoldeerd cloisonné meestal op hun plaats blijven. Tussen 1760 en 1790 hadden objecten af en toe een gouden ondergrond met gouden draadjes.

Afb. 3: Twee draken, China 1800, h 33 cm, part. col.
Vormen
Bij het vroege Chinese cloisonné vinden we vazen, kommen, schalen en dozen. Daarnaast zijn er vanaf de zestiende eeuw veel objecten voor gebruik bij de tempelrituelen: wierookbranders, vaak in de vorm van archaïsche bronzen, kaarsenhouders, watersprenkelaars en scepters. Na 1600 verschenen grote tempelvazen en meubelpanelen. In de achttiende eeuw werden ook heel veel dierfiguren gemaakt.

Email en kleuren
De kleuren op Chinees cloisonné zijn opaak of semi-transparant. Het email, een kleurloze glaspasta waaraan kleurpigmenten of metaaloxides werden toegevoegd, hechtte zich probleemloos aan de ondergrond. Grote oppervlakken email werden natuurlijk vermeden vanwege het risico van afbrokkelen. Na het bakken zagen de emails er ruw en dof uit. Bij langdurig polijsten, soms wel weken, ontstond een hoge glans. Putjes in het email konden altijd voorkomen. Hoewel zij meteen weggewerkt werden met was of een ander materiaal in de juiste kleur, zijn zij vaak door de tand des tijds weer aan het licht gekomen. Bij vroege stukken zijn het vaak speldenknopjes.
In de eerste helft van de vijftiende eeuw gebruikte men de kleuren turquoise (voornamelijk als achtergrondkleur), cobaltblauw, rood, geel, wit, licht- en donkergroen. Na ca. 1550 kwamen purper en een speciale roze kleur hierbij. Voor het roze mengde men rode glassplinters door wit email. De kleur is niet homogeen en kan een aanwijzing zijn voor een Ming datering.

In de zestiende eeuw volgden nog de mengkleuren turquoisegroen en bruin uit rood en geel. Er werden dan twee of meerdere kleuren in een cel aangebracht die bij het bakken niet geheel in elkaar overliepen. Het aantal gemengde kleuren nam na 1600 een hoge vlucht met soms wel vier verschillende kleuren in één cel, waardoor een aantrekkelijke schaduwwerking ontstond. Aan het kleurengamma werd vanaf ca. 1720 roze op basis van goudchloride toegevoegd. Dit homogeen roze werd karakteristiek voor die tijd.

Afb. 4: Religieuze voorwerpen, Japan vroeg Edo 1600-1868, kruis h 13 cm, part. col.
Motieven
De lotus is in de vijftiende eeuw een vlakvullend hoofdmotief, zie ook afb. 1. De bloem is een symbool van zuiverheid en perfectie omdat zij uit de modder groeit en staat voor de Boeddha die ook boven het aardse bestaan (de modder) uitgroeide. In de zestiende eeuw wordt de lotus een achtergrondversiering bij hoofdmotieven als Boeddhistische leeuwen, galloperende paarden, vissen, de draak, de phoenix (vuurvogel), de qilin (eenhoorn) en de schildpad. De laatste zijn de vier bovennatuurlijke schepselen die elk over een quadrant van het firnament heersen. De vijfklauwige draak is het symbool van de keizer, de phoenix dat van de keizerin. Zo versierde objecten waren vrijwel zeker bestemd voor het hof. Ook de 'drie vrienden': de pijnboom, bamboe en prunus werden vaak afgebeeld. Inspiratie voor deze motieven haalde men uit houtsneden.

Na 1600 kwamen natuurmotieven op in een vrijere stijl en landschappen waarin figuren, herten en eenden. In de achttiende eeuw was er enerzijds een hang naar archaïsche motieven, ontleend aan de oude bronzen, anderzijds naar verfijnde decoraties geïnspireerd op de natuur. De grote dozen met de delicaat uitgevoerde krekels zijn hiervan een goed voorbeeld (afb. 2). Zij getuigen van het grote bekwaamheid van de cloisonné-makers onder keizer Qianlong. Hun kunstenaarschap komt vooral tot uiting in vele diervormen. Een paar krachtig gevormde draken (afb. 3) heeft een vlammende parel op de tong die kan openklappen om als kandelaar te dienen. De decoratie van krullende ranken is karakteristiek voor Qianlong-stukken. Hoewel het de door velen tot de top wordt gerekend en hoger wordt aangeslagen dan het vroege Ming-cloisonné moet men zich echter realiseren dat Qianlong cloisonné in het algemeen in een veel betere conditie wordt aangetroffen.

Afb. 5: Drie vazen, Japan Meiji 1868-1912,
h 19, 17 en 15 cm, part. col.
Japans cloisonné
Het cloisonné begon in Japan in de Edo-periode (1600-1868). De schitterende kleuren en het glanzend oppervlak riepen in Japan associaties op met de 'shippo' uit de Boeddhistische sutra, de zeven kostbaarheden in de natuur: goud, zilver, smaragd, koraal, agaat, kristal en parel. Daarom werd het 'shippo' genoemd waarmee men de banden met natuur en religie benadrukte. Het verschil in benadering van de kunstvorm in Japan en in het Westen komt nergens zo duidelijk naar voren als in de naam: de Westerse (Franse) naam verwijst naar de techniek. Leden van de Hirata familie beoefenden ca. 1600 waarschijnlijk als eersten de kunst van het cloisonné maken onder protectoraat van de shogun, Tokugawa Ieyasu (1541-1616). Deze familie leverde vanaf 1590 gedurende drie eeuwen cloisonné makers en was specialiseerd in inlegwerk.

Een enkel voorwerp was geheel van cloisonné. Zo'n voorwerp is de crucifix (afb. 4), door experts gedateerd vóór 1614, de datum van de officiële verbanning van alle Christelijke elementen uit Japan. Ook de kannetjes waarvan het ene is versierd met korenaren en het karakter van water en het andere met druiventrossen en het karakter van wijn, hebben Christelijke connotaties. Dit type voorwerpen werd vermoedelijk na het edict in het geheim gemaakt. Over de zeventiende en achttiende eeuw is verder nog weinig bekend. Na 1840 nam de productie van het cloisonné toe. Er ontstonden twee richtingen: zij die op de oude manier met cloisons bleven werken en zij die ernaar streefden steeds minder draad te gebruiken.
In de Meijiperiode (1868-1912) beleefde de kunstvorm haar glorietijd, in het bijzonder na 1880. Toen kwam ook de export door gespecialiseerde bedrijven zoals de Nagoya Cloisonné Maatschappij vanaf de havenstad Yokohama op gang. Het cloisonné werd vanaf het eind van de eeuw op grote schaal naar Amerika en Europa gevoerd waardoor het deels een massaproduct werd.

Afb. 6: Bord, Japan, ca. 1850, diam. 28 cm, part. col.
Techniek
Men gaat ervan uit dat de techniek vanuit China via Korea naar Japan kwam. De vroegste vorm was die van het inlegwerk. Kleine gouden, zilveren of koperen plaquettes met een cloisonné-versiering werden in voorwerpen ingelegd. De eerste geheel in cloisonné versierde voorwerpen hadden een dunne koperen basis en draden van koper, die overal even breed waren en vastgezet met hars in plaats van soldeer. Na 1865 werd een dikker koper gebruikt en ook brons, steengoed en porselein toegepast. Na 1880 dienden goud of zilver soms als basis. In 1889 slaagden de kunstenaar Namikawa Sosuke (1847-1919) en zijn groep erin draadloos cloisonné te maken. Nadat het email gesmolten was, werden de draden waar mogelijk verwijderd en het voorwerp voor een goede hechting hergestookt.

Op afb. 5 zijn nog twee spectaculaire technieken te zien: de twee vazen links zijn gemaakt in de 'gin-bari'-techniek: de koperen basis is bedekt met zilverfolie waardoor het licht reflecteert door het email en de vissen echt in het water lijken te zwemmen. De vaas rechts laat de 'moriage'-techniek zien: in laagjes aangebracht email tot boven de draad. Dit bijna drie-dimensionale effect is met de vinger voelbaar.

Vormen
Kleine vaasjes en kommetjes werden tot 1850 kwamen het meest voor, alsook kopieën van Ming-cloisonné. Na die datum werden de vormen groter. De topperiode na 1880 wordt gekarakteriseerd door elegante vazen. Ook verschenen objecten naar westers voorbeeld, speciaal voor de export.

Kleuren
Tot het midden van de negentiende eeuw komt het cloisonné somber getint over: bleek turquoise, vuil wit, een roestkleur en zwart, vaak over de rand van de cel vloeiend. De kom (afb. 6) dateert waarschijnlijk uit die tijd. De decoratie van een man te paard met zijn dienaar door een stroom wadend is ontleend aan een legende. Stukjes kwarts of veldspaat, z.g. goudsteen, werden vanaf ca.1860 soms in achtergrondkleuren gebruikt. Toen verscheen ook het Ming-roze, geel, lichtgroen, oranje-rood en helder wit. In 1875 introduceerde de Duitse scheikundige Gottfried von Wagner (1831-1891), door de Meiji-regering uitgenodigd om Westerse technologie naar Japan te brengen, nieuwe kleuren met een hoge glans en de mogelijkheid van schaduwwerking. Transparantie krijgen de kleuren pas na 1880.

Afb. 7: Vaas, gemerkt, Japan Meiji 1868-1912,
h 46 cm, part. col.
Motieven
Vóór 1850 werden vaak figuren en dieren in landschappen afgebeeld, daarna textielmotieven, soms in wolk- of waaiervormige vlakken, en de 'karakusa', een golvend rankmotief. Langzaam werden natuurmotieven het hoofdthema: grassen, bloemen, vogels, vlinders, vissen, de mythologische vogel de 'ho-ho' en de drieklauwige draak. Een prachtig voorbeeld hiervan is de vaas versierd met sluiervissen (afb. 7), vrijwel draadloos gemaakt en waarschijnlijk uit het atelier van Sosuke. Na 1880 kwam zo de traditionele Japanse stijl volledig tot ontwikkeling.
Zowel in China als Japan wordt tot op heden cloisonné gemaakt. Oude objecten kunnen op de kunstmarkt, voornamelijk in Londen en Parijs, extreem hoge prijzen halen.

Ink de Pree- Domisse
docent kunstgeschiedenis aan de Opleiding Restauratoren

Literatuur:
L.A. Coben en D.C. Ferster, Japanese Cloisonné, History, Technique and Appreciation, 1982, New York en Tokyo
Sir H. Garner, Chinese and Japanese Cloisonné Enamels, 1962, 1970, London
A. Borstlap, Japans en Chinees Cloisonné, Museum Het Princessehof, 1992, Leeuwarden
H. Brinker en A. Lutz, Chinese Cloisonné: The Pierre Uldry Collection, 1989, Zurich
O. Impey en M. Fairley (eds.), Meiji no takara; the Nasser D. Khalili collection of Japanese art, vol. 3, Enamel, 1994, London


 
  print deze pagina sluit venster